Waterbedeffect

Het volgende landbouw­probleem: ‘Over tien jaar kopen we akkerbouwers uit’

Alles beter dan koeien, leek het credo na jaren van stikstof­discussies. Maar zo simpel is het niet. Melkvee­houders stoppen weliswaar, maar hun graslanden worden omgeploegd voor nog intensiever grondgebruik: akkerbouw. 113.000 hectare in de afgelopen tien jaar, blijkt uit onderzoek van het FD.

Lees direct de special
Gratis proberen
Maak eenvoudig een account aan
Bent u abonnee of heeft u al een FDMG-account?

In het kort

  • De overheid is nog druk bezig met de uitkoop van veehouders om zo de stikstofuitstoot te verlagen.
  • Ondertussen werd een vijfde van het blijvend grasland in de laatste tien jaar omgeploegd voor akkerbouw, blijkt uit data-onderzoek van het FD.
  • Experts waarschuwen voor slechtere water- en bodemkwaliteit, terwijl het stikstofprobleem nog niet is opgelost.

De boerderij van melkveehouder Dirk Tegenbosch in het Brabantse Valkenswaard ligt ingesloten. Nog geen kilometer naar het westen begint de Malpieheide met de typisch paarse dopheide in de zomer. Een kleine twee kilometer naar het oosten ligt het Leenderbos, met stuifduintjes en naaldbomen.

Die gebieden zijn beschermd. En dus mag er niet te veel stikstof op neerdwarrelen. Daar gedijen de dopheideplantjes en de stuifduintjes namelijk niet goed op. Jaren terug kreeg Tegenbosch daarom al het stempel ‘piekbelaster’ van de overheid. Zijn koeien stoten te veel stikstof uit, te dicht op die natuur.

Toch is natuurbeheerder Theo Bakker van Staatsbosbeheer ‘hartstikke blij’ met de koeien van Tegenbosch, juist op deze plek. Ondanks de stikstofuitstoot.

Foto: Rob Engelaar voor Het Financieele DagbladFoto: Rob Engelaar voor Het Financieele Dagblad

Minder gecharmeerd is Bakker van wat er verderop gebeurt, nog dichter op het bos. Vanaf het weiland van Tegenbosch tuurt hij net voorbij de eerste bomenrij. Daar in de verte torent de oogstmachine van de buurman boven de lange gele rijen maïs uit.

In strakke strepen trekt hij langs. De laadbak stroomt vol. Om tot de oogst te komen zijn vaak pesticiden, kunstmest en lage waterstand nodig, zegt Bakker. Allemaal zaken die hij liever niet heeft, zo dicht op de natuurgebieden.

Het gras van Tegenbosch daarentegen heeft weinig nadelen voor de natuur, mits zijn 73 melkkoeien voldoende ruimte hebben om te grazen.

Maar met weinig koeien en veel land is het moeilijk geld verdienen voor een boerenbedrijf. Vijf keer eerder zat Bakker daarom al bij Tegenbosch aan de keukentafel met één vraag: hoe kunnen we elkaar helpen?

Bakker (links op de foto) kan boeren als Tegenbosch (rechts, met zoontje) goed gebruiken om de natuur beter te beschermen. Andersom wil Tegenbosch graag extra hectares voor een goede prijs pachten van Bakkers werkgever.

Staatsbosbeheer is een van de grootste natuurgrondbezitters van Nederland. Met de boer als buur stelt de natuurbeheerder het zogeheten ‘blijvend grasland’ van Tegenbosch veilig.

Volgende landbouwprobleem

En dat is nodig, want blijvend grasland in Nederland neemt al jaren af, blijkt uit de statistieken. Een weiland geldt als ‘blijvend’ als er vijf jaar onafgebroken niks anders groeit dan gras. Dit type grasland is belangrijk om redenen die de meeste mensen niet kennen, zegt Nick van Eekeren, hoogleraar graslandsystemen aan Wageningen University & Research (WUR) en het Louis Bolk Instituut. Het levert namelijk allerlei ‘diensten’ aan de maatschappij zoals een gezondere bodem, schoner water en klimaat en meer biodiversiteit.

Zo houdt blijvend grasland een hoop CO₂ vast in de bodem. Bij het omploegen, ook wel ‘scheuren’, komt deze uitstoot vrij. Die uitstootpiek komt neer op dertien tot vijftien keer meer dan wat een Nederlandse melkveehouderij normaal per jaar uitstoot op een gemiddelde hectare, zo becijferden onderzoekers aan de WUR eerder. Dat is inclusief de uitstoot van de koeien.

Verder hoeft bij blijvend grasland de grond niet even droog te worden gehouden zoals bij akkerbouw wel gebeurt om het land met zware machines te kunnen bewerken. En voor blijvend grasland zijn lang niet zoveel pesticiden nodig als voor gangbare akkerbouw, die het grond- en oppervlaktewater vervuilen.

Zonder grondbeleid bestaat het risico dat grasland verdwijnt en wordt omgezet in akkerbouw, volgens het Planbureau van de Leefomgeving. En dus dringt het volgende landbouwprobleem zich al op, terwijl de overheid nog veehouders uitkoopt om de stikstofuitstoot naar de lucht te verlagen: de waterkwaliteit.

Het boerenland onder de loep

Maar wat gebeurt er precies met al dat verdwijnende grasland? En wat betekent dat? Om die vragen te beantwoorden nam het FD al het Nederlandse boerenland onder de loep. Boeren geven de vorm van het perceel en het gewas erop door aan de overheid, die deze data jaarlijks publiceert.

Aangezien die percelen per jaar van vorm verschillen, rasterde het FD de gehele oppervlakte van Nederland in 2015 en 2025. Elk ‘hokje’ is één hectare groot. Zo worden de gewassen in de 4,18 miljoen hokjes met elkaar vergeleken.

Hier in het noordoosten van Texel zijn zo’n honderd van die hectareblokjes te zien. Op deze percelen maakte het blijvend grasland uit 2015 tien jaar later plaats voor teelten als bloembollen, aardappelen, maïs en groenten.

Die 4,18 miljoen kleine hokjes zijn te gedetailleerd voor een overzichtskaart van heel Nederland. Grotere hokjes van vijf bij vijf kilometer geven op de volgende kaart een beeld van de verspreiding van blijvend grasland in Nederland. De data komt rechtstreeks uit de officiële overheidsregistratie. In 2015 telde Nederland 773.000 hectare blijvend grasland.

2015

In de provincie Friesland zijn de hoogste concentraties gras te vinden. De donkerste cellen op deze kaart bevatten 83% grasland.

2025

Tien jaar later is er 3% minder grasland in Nederland — in 2025 is er nog 753.000 hectare over. Met het blote oog is het verschil nauwelijks te zien.

Omgeploegd

Maar toch is er veel gebeurd. Hoe roder, hoe meer blijvend grasland is omgeploegd. Deze data komt uit het FD-onderzoek. De gedetailleerdere data zijn hier weergegeven in de grotere vijfkilometercellen. Bij de donkerste cellen op deze kaart is 21% van het grasland omgeploegd.

In de provincie Gelderland gebeurde dit het meest: 21.800 hectare werd er omgeploegd. De grootste afname van grasland was ook in deze provincie, namelijk 4800 hectare.

Waterbedeffect

Een afname van 3%, lijkt een schijntje. Vergeleken met de krimp in de decennia is het ook aanzienlijk minder: sinds 1980 nam het blijvend grasland met ruim 40% af, aldus het Compendium voor de Leefomgeving.

Maar zelfs zo’n ogenschijnlijke kleine afname is slecht nieuws, waarschuwt hoogleraar Van Eekeren. ‘De huidige situatie is nog het gunstigst, maar dadelijk valt er een gat in het beleid.’ Lange tijd moesten boeren namelijk 80% blijvend grasland aanhouden op hun land, om in aanmerking te komen voor een belangrijke regeling. Met deze zogeheten derogatie mochten Nederlandse boeren meer mest uitrijden dan andere Europese boeren. Maar aan die uitzonderingspositie komt volgend jaar een einde.

Zonder die prikkel verwacht Van Eekeren dat het grasland weer in rap tempo verder afneemt. Ook Gerard Velthof, hoogleraar bodembeheer bij Wageningen University & Research, ziet geen alternatief met net zo’n groot effect. ‘De derogatie was zo’n sterke prikkel voor boeren.’

Pijnlijk is het wel, volgens Velthof. ‘De Europese Commissie trekt de derogatie juist in om de waterkwaliteit te verbeteren, maar daardoor zal er waarschijnlijk meer akkerbouw komen. En daarvan weten we dat er meer nitraat uitspoelt dan bij blijvend grasland. En dus zal de waterkwaliteit eerder achteruitgaan.’

Dat ziet ook Roel Jongeneel, senior onderzoeker bij Wageningen Economic Research. ‘Als je dit soort problemen niet tegelijk aanpakt, krijg je een waterbedeffect. Zo vult het ene gat zich op met het andere en zit je met een nieuw probleem.’

Landbouwminister Femke Wiersma zegt in een reactie de ontwikkelingen in landgebruik ‘nauwlettend’ te volgen. Om grasland te behouden zet de bewindsvrouw in op een nieuwe derogatie. Hiervoor moet de minister goedkeuring krijgen van de Europese Commissie, die onlangs juist een einde maakte aan de uitzondering. (Zie onderaan de pagina de uitgebreide reactie)

Bloembollen in plaats van grasland

De trend waar experts voor waarschuwen is al duidelijk zichtbaar: Nederlandse grond wordt steeds intensiever gebruikt. Uit het data-onderzoek blijkt dat bij 17% van die overgangen het grasland werd vervangen door teelten als maïs, aardappelen, bieten, bollen en bomen. Dat komt neer op 113.000 hectares blijvend grasland die zijn omgeploegd in tien jaar tijd — 6% van alle Nederlandse landbouwgrond.

In diezelfde periode kwamen er ook hectares nieuw blijvend grasland bij, maar minder. Bovendien is vooral ouder grasland belangrijk. Daar zit namelijk meer CO₂ opgeslagen in de bodem.

Bloembollen winnen terrein

Verder blijkt: de verschillen tussen provincies zijn groot. In de provincie Noord-Holland vervangen bloemenkweek en bollenteelt, na maïs en tijdelijk grasland het vaakst blijvend grasland. Op 659 hectare werd blijvend grasland omgeploegd voor bijvoorbeeld tulpen, lelies en hyacinten.

Wel kwam er ook nieuw blijvend grasland bij vanuit de bollenteelt. Maar aanzienlijk minder: twee keer minder dan andersom.

In sommige gevallen maakt blijvend grasland dicht op beschermde natuur plaats voor andere teelten, zoals bij het eerdere voorbeeld op Texel. Hier maakt blijvend grasland plaats voor bloembollen en knollen. Rechtsonder ligt het natuurgebied de Schorren, een broedplaats voor de lepelaar.
In sommige gevallen maakt blijvend grasland dicht op beschermde natuur plaats voor andere teelten, zoals bij het eerdere voorbeeld op Texel. Hier maakt blijvend grasland plaats voor bloembollen en knollen. Rechtsonder ligt het natuurgebied de Schorren, een broedplaats voor de lepelaar.

Noord-Brabant spant relatief gezien de kroon. Daar ging 28% van het blijvend grasland naar teelten als maïs, aardappelen en bomenkweek. 12.000 hectare Brabants blijvend grasland werd omgeploegd. Netto verdween er 2000 hectare, omdat er ook nieuw grasland bij kwam.

Aardappels, lelies en laanbomen

In geen enkele andere provincie verving de bomenkweek zoveel blijvend grasland als in Noord-Brabant. Ongeveer 390 hectare ging naar deze sector, die bekendstaat als groot waterverbruiker. Andersom leverde de sector maar 130 hectare in voor nieuw blijvend grasland. ‘Op de lange termijn kan dit niet zo doorgaan, dan eindigen we met een landschap met aardappels, lelies en laanbomen’, zegt hoogleraar Van Eekeren.

De almaar stijgende grondprijzen in Nederland zijn een van de drijvende krachten achter verdwijnend grasland, zeggen experts. De gemiddelde prijs voor landbouwgrond in Nederland is in tien jaar tijd bijna verdubbeld, terwijl gras minder geld oplevert dan akkerbouw.

Ook werken akkerbouwers steeds vaker samen met melkveehouders, legt Van Eekeren uit. Ze laten hun grasland meedraaien in het bouwplan van de akkerbouwer. Voor de melkveehouder levert het een vergoeding op en voor de akkerbouwer meer opbrengsten. ‘Maar het leidt wel tot steeds intensiever gebruik van de grond wat weer consequenties heeft voor bodemkwaliteit, waterkwaliteit en biodiversiteit’, zegt Van Eekeren.

Een andere reden kunnen de stoppende melkveehouders zijn, zegt onderzoeker Jongeneel. ‘Je hoort wel anekdotes over melkveehouders die hun bedrijf beëindigen, maar het land houden en verpachten aan een akkerbouwer of een bollenteler.’ Wethouders zitten vervolgens met de handen in het haar. ‘Want ze hebben de instrumenten niet om er wat aan te doen. Maar eigenlijk staat die ontwikkeling haaks op wat ze willen.’

Volgens het landbouwministerie is het nog te vroeg om te zien wat de gevolgen van de uitkoop op het grondgebruik zijn. Wel hoort minister Wiersma bezorgde geluiden over verdwijnend grasland en krijgt ze signalen dat grasland ‘incidenteel’ wordt omgeploegd.

Minder ‘grasfalt’

Toch is het niet alleen kommer en kwel. Zo staat Noord-Brabant, naast kampioen bomenkweek, tegelijkertijd óók bekend als schoolvoorbeeld voor natuurorganisaties en boeren die de handen ineen slaan. Samen werken ze aan landbouw die juist goed naast natuur kan bestaan, bijvoorbeeld door boeren aan te moedigen meer kruiden op de weilanden te laten staan.

Want niet elk veld met groene sprieten is even goed voor de natuur: een groen tapijt van Engels raaigras waar geen kruiden of bloemen tussen groeien — ‘grasfalt’ — is weliswaar productiever en goed voor ondergrondse biodiversiteit, maar minder goed voor die bóven de bodem.

Als er op het weiland genoeg kruiden groeien, waar insecten graag van eten, levert dat de nachtzwaluw verderop in het beschermde bos weer meer voedsel op, legt natuurbeheerder Bakker uit. Dat zou Bakker ook graag zien op het veld bij melkveehouder Tegenbosch. Op het weiland naast zijn huis staat wat varkensgras, een bloemetje hier en daar, maar het mag ruiger met meer kruiden, vindt Bakker.

Daar staat Tegenbosch wel voor open. Vijf jaar geleden stonden er nog aardappelen, maar voorlopig blijven deze hectares in ieder geval blijvend grasland. Als het aan hem ligt.

Aan meedoen met de uitkoop en stoppen heeft de melkveehouder nooit gedacht, zegt hij staand in het weiland met zijn oudste zoontje op de arm. De Jip-en-Jannekelaarsjes bungelen losjes aan z’n voeten. Als zijn zoon de boerderij ooit over wil nemen, dan kan dat, gelooft Tegenbosch. Met weinig koeien, veel land en zonder kunstmest ziet hij wel een toekomst voor zijn bedrijf. Ook naast beschermde natuur.

Het lijkt krom, maar is volgens Bakker het gevolg van landbouwbeleid dat zich stuk staart op kleine stukjes zonder het geheel te overzien. Dat moet nodig veranderen, vindt hij. ‘Anders weet ik zeker: over tien jaar staan we weer op de stoep bij diezelfde boeren die we nu uitkopen, maar dan voor het volgende probleem.’

Reactie ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

Landbouwminister Femke Wiersma laat in een reactie weten de ontwikkelingen in landgebruik ‘nauwlettend’ te volgen. ‘Voor de overheid is het van belang dat veranderingen in agrarisch grondgebruik aansluiten bij doelen en randvoorwaarden op het gebied van onder andere waterkwaliteit en natuur. Uit onder meer het (onlangs verschenen, red.) rapport van het Louis Bolk Instituut blijkt dat teelten zoals bollen en mais doorgaans minder bijdragen aan deze doelen dan grasland.’

Volgens experts valt er eind dit jaar een gat in beleid dat blijvend grasland moet behouden. Vanaf 2026 komt een einde aan een uitzonderingspositie voor Nederlandse boeren, de zogeheten derogatie. Om daarvoor in aanmerking te komen moesten boeren verplicht 80% grasland te houden. De minister zet zich daarom in voor een nieuwe derogatie om grasland te behouden. De goedkeuring hiervoor moet van de Europese Commissie komen.

Volgens de minister is het nog te vroeg om te kunnen stellen dat vrijwillige beëindigingsregelingen leiden tot grootschalige verandering van het grondgebruik in de landbouw. Er zijn nog geen harde cijfers die dat laten zien, volgens de minister. De meeste deelnemers aan de beëindigingsregelingen zijn op dit moment feitelijk ook nog niet gestopt.

Wel hoort het ministerie bezorgde geluiden over omgeploegd grasland en krijgt het signalen dat grasland ‘incidenteel’ wordt omgeploegd. ‘Gras is een laag renderend gewas, terwijl hectareprijzen voor agrarische grond momenteel zeer hoog zijn. Daardoor kan het economisch aantrekkelijk zijn om grasland om te zetten naar andere gewassen.’

De minister wijst ook op de verantwoordelijkheid van lokale overheden. ‘Provincies en gemeenten zijn in de eerste plaats het bevoegd gezag om maatregelen te treffen als er door veranderend grondgebruik in de landbouw de risico’s op verslechtering van de waterkwaliteit toenemen.’

Verantwoording

Voor deze publicatie deed het FD grootschalig data-onderzoek naar het gehele landbouwareaal van Nederland en sprak met negen experts op het gebied van landbouweconomie en -ecologie, met boeren, natuurbeheerorganisaties. Ook beantwoordde het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) vragen en zijn het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en de Rijksdienst voor Ondernemen (RVO) geraadpleegd.

Het data-onderzoek is gedaan op basis van de Basisregistratie Gewaspercelen, een selectie van informatie uit de Basisregistratie Percelen (BRP) van de RVO, beheerd door PDOK (Publieke Dienstverlening Op de Kaart). Jaarlijks registreren boeren bij de RVO de gewassen op hun percelen. Bij elkaar bestrijken die percelen 1,8 miljoen hectares van het Nederlandse landoppervlak. Het FD heeft de datasets uit de jaren 2015 en de conceptversie van 2025 met elkaar vergeleken. De conceptversie bevat de meest actuele gegevens, met correcties en aanpassingen van boeren over 2024.

Bij het onderzoek hanteren we de definitie van blijvend grasland van de RVO. Die omvat ‘grasland, blijvend', maar ook ‘grasland, natuurlijk. Met landbouwactiviteiten'. Deze definitie wordt onderschreven door experts die het FD sprak. Ook de categorieën van de gewassen zijn afkomstig van de RVO. CBS hanteert andere definities, waardoor die getallen kunnen afwijken.

Aangezien veel percelen van vorm verschillen tussen de twee jaren, kunnen ze niet één-op-één met elkaar worden vergeleken. Om de percelen alsnog met elkaar te kunnen vergelijken is elke provincie opgedeeld in een raster met behulp van programmeertaal Python. Elke rastercel is precies 100 meter bij 100 meter, één hectare. In deze cellen is het gewastype toegekend dat de meeste oppervlakte bestrijkt in de cel. Om tot de in totaal 4,18 miljoen cellen te komen, is de door PDOK beheerde dataset ‘bestuurlijke gebieden' gebruikt.

Als een boer bijvoorbeeld 93% blijvend grasland in de cel heeft, krijgt de cel als gewas ‘grasland, blijvend’ toegekend. Is er bijvoorbeeld 57% ‘kuifhyacint, overige bloemkwekerijgewassen' aanwezig, dan wordt dát gewas toegekend. Is het grootste gedeelte van de cel leeg, zoals bijvoorbeeld in een stad of aan de rand van boerenland, dan krijgt deze cel de kwalificering ‘overig’. De cellen met daarin 'blijvend grasland’, bestaan gemiddeld voor 80% daadwerkelijk uit blijvend grasland.

Voor beide jaren is per cel het dominante gewas op die manier bepaald. Zo zijn de rastercellen gevonden die in 2015 nog blijvend grasland waren maar waar in 2025 akkerbouw wordt bedreven. Daarna is uitgerekend om hoeveel omgeploegde hectares dit gaat.

Voor de kaart van Nederland is gekozen voor een andere schaal, omdat het detailniveau van het oorspronkelijke onderzoek te klein is om voor heel Nederland te tonen. Daarom is hierbij gekozen voor een veel grotere schaal, namelijk cellen van vijf bij vijf kilometer.

In beide jaren is de categorie ‘leeg’ relatief groot. Het onderzoek gaat verder niet op in deze categorie, omdat de redenen voor een rastercel om leeg te zijn te ver uiteenlopen. Het kan gaan om verdwenen boerenland door bijvoorbeeld een weg- of rivierverbreding maar ook om bouwplaatsen.

Het is ook mogelijk dat er nog steeds landbouw wordt bedreven op een perceel, maar door een particulier. In dat geval is het perceel niet altijd opgegeven bij de overheid. In andere gevallen, zoals vlak bij boer Dirk Tegenbosch uit dit verhaal, zijn de percelen gekocht door de provincie. Maar het is nog onduidelijk wat er precies met de percelen gaat gebeuren. De enige zekerheid bij deze categorie is dat erop deze plek bij de RVO niets geregistreerd staat.

Voor de luchtfoto’s is gebruikgemaakt van Google Earth.