De basis van de moderne houtindustrie ligt in het Kennemerland, waar Cornelis Cornelisz van Uitgeest in 1593 het patent laat optekenen van zijn ‘inventie waerdoor de sagen der hout ofte saechmolens die door den wint worden gedreven’. De uitvinding maakt een definitief einde aan het zware handwerk: één molen vervangt veertig knechten, en kan in dezelfde tijd een duizendvoud aan boomstammen verzagen tot balken en planken.

De eerste zaagmolens worden gebouwd in de Zaanstreek en Waterland, waardoor de regio uitgroeit tot een belangrijk industriegebied. In 1630 krijgt ook Amsterdam haar eigen houtzaagmolens. Ze worden gebouwd op het terrein buiten de Regulierspoort en de Raampoort. Het stadsbestuur bepaalt vervolgens dat niet meer is toegestaan om gezaagd hout van elders in te voeren.

Uiteindelijk staan er zo’n 85 molens rond Amsterdam, waarvan het overgrote deel in de ‘Zaagmolenbuurt’. Het moet een bijzonder gezicht zijn geweest. Koopman Daniël Willink (1676-1722) was in elk geval erg onder de indruk en dichtte:

‘’t Zijn Moolens die hier rij aan rij,

Driedubbelt achtereen staan maalen;

Wier scherpe zaagen, zij aan zij,

Zij schielijk op en needer haalen,

En rukken door het dikste hout,

Dat ooit een Stervling heeft beschout.’

Meer lezen over de Amsterdamse zaagmolens? Lees hier het uitgebreide artikel van Nils Wisman, getiteld: Een woud van molens.

Tekst: Wim de Groot

Afbeelding Header: Stadsarchief Amsterdam