Meteen naar document
Dit is een Premium document. Sommige documenten op Studeersnel zijn Premium. Upgrade naar Premium om toegang te krijgen.

Samenvatting Goederenrecht

Vak

Goederenrecht (22012038)

210 Documenten
Studenten deelden 210 documenten in dit vak
Geüpload door:
Anonieme student
Dit document is geüpload door een student, net als jij, die anoniem wil blijven.
Technische Universiteit Delft

Reacties

inloggen of registreren om een reactie te plaatsen.
  • Student
    Duidelijk. Dank je wel.
  • Student
    lekkere samenvatting

Gerelateerde Studylists

GoederenrechtGoederenrechtGoed

Preview tekst

Samenvatting Goederenrecht

HC 1: Structuur vermogensrecht, bezit en bezitsoverdracht.

Het goederenrecht heeft betrekking op de rechtsverhoudingen tussen rechtssubjecten en valt onder boek 3 en boek 5 BW.

Goederenrecht = zaken (3:2) en vermogensrechten (3:6) en eigendomsrechten (5:1)

Vermogensrechten: rechten die op geld waardeerbaar en overdraagbaar zijn (3:6). Er zijn ook vermogensrechten die niet overdraagbaar zijn (bijv. 3:226).

Een goederenrechtelijk recht geeft heerschappij over een goed. Het gaat om een bundel bevoegdheden ten aanzien van een bepaald goed.

Eigendom geldt alleen voor stoffelijke objecten, waardoor me geen eigenaar kan zijn van een vorderingsrecht. Voor de niet-stoffelijke objecten is de term rechthebbende. Een eigenaar is een rechthebbende van een stoffelijk object.

Het genotsrecht geeft recht op feitelijk gebruik van het goed. Bijv. erfdienstbaarheid of vruchtgebruik.

Met betrekking tot een goed zijn er 3 rechtsposities mogelijk: - Eigendom: (5:1 BW) er kan slechts 1 eigenaar tegelijk zijn (gezamenlijk of 1 persoon). - Bezit: (3:107 BW) er is slechts 1 bezitter tegelijk (middellijk of onmiddellijk). NB: een dief wil voor zichzelf houden en geldt daarom als een onmiddellijk bezitter. - Houder: (3:108 BW) een houder houdt niet voor zichzelf maar voor een ander. Er kunnen meerdere houders tegelijk zijn (middellijk of onmiddellijk).

Relatief recht: een rechtsbetrekking, er zijn ten minste 2 partijen nodig (persoonlijke rechten/ verbintenissen). Men kan deze rechtsbetrekkingen duiden naar zijn subject (crediteur/debiteur) of naar zijn object (vordering/schuld). Absoluut recht: geeft heerschappij over een goed en een bundel bevoegdheden die in de wet is neergelegd (goederenrechtelijke rechten). Het karakteristieke van het absolute recht is juist dat eigendomsrechten uitsluiten toekomen aan de rechthebbende  het absolute recht heeft externe werking en kan dus worden ingeroepen tegen derden.

Droit exclusive: het goederenrecht werkt tegenover een ieder. Droit de priorité: oudere rechten gaan voor latere rechten. Droit de suite: zaaksgevolg.

De heilige drie-eenheid bestaat uit een hoofdzaak, bestanddeel en natrekking.

Bestanddelen zijn geen zaken in de zin van 3:1 BW, maar onzelfstandige zaaksdelen en veronderstellen een hoofdzaak waar zij deel van uitmaken. De eigenaar van een hoofdzaak is automatisch ook eigenaar van de bestanddelen: natrekking art. 5:14 BW. Vraag: is de hoofdzaak zonder het bestanddeel incompleet? Zo ja, dan is er sprake van een bestanddeel. Er zijn 3 soorten bestanddelen: - Bestanddelen in de zin van 3:4 lid 1 zijn volgens de verkeersopvatting onderdeel van een zaak en daarmee een bestanddeel. Het gaat hier om objecten zonder welke de zaak incompleet zou zijn; ideële bestanddelen. Er bestaat geen fysiek verband tussen de hoofdzaak en het bestanddeel. Als het van elkaar gescheiden wordt ontstaat er geen schade aan een van beiden (bijv. fiets en bel). - Bestanddelen in de zin van 3:4 lid 2 hebben een fysieke verbinding met de hoofdzaak: materiële bestanddelen. Het bestanddeel is zodanig verbonden met de hoofdzaak dat bij scheiding aanzienlijke schade ontstaat (bijv. mozaïek). - Bestanddelen die vallen onder 5:20. Hieronder vallen bestanddelen die bestemd zijn om duurzaam geplaatst te blijven (bijv. vakantiehuisje).

In 5:20 BW gaat het om de eigendomsvraag, in 3:3 BW om een onroerend goed vraag.

Wanneer er sprake is van een bestanddeel o. 3:4 BW of 5:20 BW, dan verliest het bestanddeel zijn zelfstandigheid en volgt het de hoofdzaak.

Bezit (vh goed) is de overgang tussen feit en recht, het bestaat deels uit een feit en deels uit een recht.

Normaal gesproken behoort het vermogensrecht toe aan de bezitter. Lopen eigendom en bezit uit elkaar dan kan de bezitter alsnog door verjaring eigenaar worden indien aan de daarvoor gestelde eisen is voldaan (3:99 en 3:105).

Indien een persoon de feitelijke macht over een zaak heeft dan wordt diegene vermoed eigenaar te zijn, dit volgt uit art. 3:109 jo 3:119 BW.

Bezit: het houden van een goed voor zichzelf (3:107). Houderschap: het houden van een goed voor een ander (3:107).

Een houder wordt ook wel detentor genoemd. Een bezitter houdt met de pretentie om rechthebbende te zijn. Een houder heeft deze pretentie niet.

Middellijk bezit/houderschap: de feitelijke macht wordt indirect uitgeoefend; de bezitten/houder maakt gebruik van een ander om te bezitten/houden. Onmiddellijk bezit/houderschap: de feitelijke macht wordt direct uitgeoefend.

In een aantal situaties bepaalt de wetgever of er sprake is van bezit of houderschap (3:110 en 3:111 BW) Art. 3:110: verkrijging van uitsluitend het bezit van het goed. Art. 3:97: gaat om de levering van het goed zelf.

Bezitsoverdracht: de vervreemder is zelf bezitter. Bezitsverschaffing: de vervreemder is zelf geen bezitter (3:90 BW). De formaliteit van bezitsverschaffing geldt alleen voor roerende zaken.

Art. 3:114 BW is de algemene regel om bezit over te dragen: de vervreemder moet aan de verkrijger de macht verschaffen die hij zelf had. - Feitelijke overgave: door fysieke overhandiging krijgt men het bezit van een zaak. - Traditio symbolica: door het overdragen van een autosleutel verkrijgt iemand de feitelijke macht over de auto.

Art. 3:115 BW is het bijzondere geval om bezit over te dragen: bezitsoverdracht d. een tweezijdige verklaring zonder feitelijke levering. a. Constitutum possessorium (levering c.): de bezitter wordt houder. De vervreemder draagt het bezit (eigendom) over, maar blijft de feitelijke macht uitoefenen (onmiddelijke houder). b. Brevi manu (levering met de korte hand): de houder wordt bezitter. De zaak bevindt zich al in de feitelijke macht van de verkrijger, alleen is dit in de vorm van houderschap, wat omgezet wordt in de vorm van bezit. c. Longa manu (levering met de lange hand): een houder voor de een wordt houder voor de ander. De vervreemder was bezitter en draagt het bezit over aan de verkrijger. De houder krijgt de opdracht van de vervreemder om niet meer voor hem te houden, maar om voor de verkrijger te houden.

Wanneer het bezit middellijk wordt uitgeoefend door de vervreemder heeft hij 2 mogelijkheden van bezitsoverdracht: c. of longa manu.

Art. 3:111 BW gaat over bezitsverschaffing door een houder.

Vraag: kan een houder c. bezit verschaffen? Een houder die houdt voor X blijft houder voor X (gaat onder dezelfde titel voort). Hieruit volgt dat: - De houder zichzelf niet tot bezitter kan maken. - De zichzelf niet van houder voor X tot houder voor Y kan maken.  Een bezitter kan bezit overdragen via c. (3:115 sub a), een houder kan dit niet o. 3:111 BW.

O. goederenrechtelijke werking en terugwerkende kracht is er een driedeling van titelgebreken: - GW en TK: nietigheid (bijv. 3:40) en in beginsel vernietiging (3:53 lid 1). - wel GW maar geen TK: vervulling van voorwaarde (3:38 lid 2, 3:84 lid 4 en 6:22) en inroeping van reclamerecht (7:39). - noch GW noch TK: ontbinding wegens tekortkoming (6:265, 6:271) en soms vernietiging (3:53 lid 2). (ontbinding of wijziging op andere gronden dan tekortkoming, zie 6:258-260).

Ontbinding heeft als rechtsgevolg dat er een verbintenis tot ongedaanmaking ontstaat (6:271), maar het is niet zo dat de ontbinding de eigendomssituatie herstelt (geen goederenrechtelijk effect en geen TK!!).

Een verkoper die niet betaald wordt, kan op een zeker moment een reclamerecht inroepen; hij kan de zaak als zijn eigendom opvorderen (7:39). Wel moet er rekening gehouden worden met de korte termijn (6 weken) die gesteld wordt in art. 7:44 BW. Het reclamerecht heeft goederenrechtelijke effect. door inroepen van het reclamerecht wordt de verkoper weer eigenaar van de zaak.

Vernietiging heeft goederenrechtelijke werking en terugwerkende kracht (3:53). Zowel in het geval waarin faillietverklaring van de koper nog moet plaatsvinden als wanneer de koper al failliet verklaard is, moet de curator de zaak teruggeven. Nietigheid heeft goederenrechtelijke werking (en terugwerkende kracht, eigenlijk geldt de nietigheid al vanaf de aanvang). De verkoper is eigenaar van de zaak, ongeacht het moment van faillietverklaring. Door een ontbindende voorwaarde van niet-betaling komt er een einde aan de overdracht wanneer deze voorwaarde intreedt. Er is goederenrechtelijke werking, maar geen terugwerkende kracht (6:265). De verkoper is eigenaar van de zaak, ongeacht het moment van faillietverklaring. Door een opschortende voorwaarde van betaling komt de overdracht pas tot stand als er betaald is. Als er niet betaald wordt blijft de verkoper eigenaar van de zaak, ongeacht het moment van faillietverklaring.

  1. Geldige Levering art. 3:84 BW De voorwaarde geldige levering bestaat uit 2 componenten: a. Geldige goederenrechtelijke overeenkomst b. Een leveringshandeling

a. Geldige goederenrechtelijke overeenkomst Een goederenrechtelijke overeenkomst is een meerzijdige rechtshandeling van de vervreemder en de verkrijger, waarmee goederenrechtelijk effect wordt beoogd. Een titelgebrek bij een goederenrechtelijke ovk heeft geen grote praktische betekenis. Dit wordt anders als er een titelgebrek ontstaat tussen de titel en de levering.

b. Leveringshandeling De aard van een goed bepaalt hoe er geleverd moet worden: - Roerende niet-registerzaken: een boek kan geleverd worden door bezitsverschaffing (3:90 lid 1) of door een akte sec (3:95). Levering d. een akte sec kan uitsluitend in het geval dat de vervreemder geen houder of bezitter is, ofwel wanneer bezitsverschaffing niet mogelijk is (bijv. diefstal uitkering door een verzekeraar). - Registergoederen: een huis kan geleverd worden door een notariële akte en inschrijving daarvan in de openbare registers voor registergoederen (3:89 jo 3:16 e.). - Vorderingen: hangt af van de aard van de vordering. 3 soorten: - Vordering op naam: onderhandse akte en mededeling aan de debiteur of authentieke akte, dan wel geregistreerde akte zonder mededeling (3:94 lid 1, lid 3 ) (cessie). - Vordering aan toonder: bezitsverschaffing, subsidiair levering als vordering op naam (bij gebreke van bezit of houderschap) (3:93 1e zin). - Vordering aan order: idem plus endossement (3:93 2e zin). - Onafhankelijke, beperkte rechten: deze rechten worden op dezelfde manier geleverd als het goed waarop het beperkte recht rust (3:98). Art 3:98 is een schakelbepaling. Afhankelijke rechten zijn afhankelijk van een ander recht (3:7), bijv. pand of hypotheek. Als een bank een vordering, waarop een hypotheek rust, overdraagt aan een ander, gaat de hypotheek vanzelf mee over. - Overige goederen: als er niets geregeld is kan er worden geleverd door akte.

Let op! In principe is een vordering op naam, tenzij een vordering voorzien is van een toonder- of orderclausule. De orderclausule houdt in dat er betaald moet worden aan de crediteur of order. De toonderclausule stelt dat er betaald moet worden aan degene die het papier toont. Roerende niet-registerzaken kunnen dus geleverd worden door bezitsverschaffing. Er kan bezit verschaft worden door een bezitter door bezitsverschaffing (3:112). Dat wil zeggen: - Bezitsverschaffing door feitelijke overgave (3:114) (is ook traditio symbolica). - Bezitsverschaffing door een bijzondere traditio (3:115). 3 manieren: a. Costitutum Possessorium (c.) b. Brevi manu c. Longa manu

Een houder kan bezit verschaffen door: - Feitelijke overgave (Hoogovens Matex) - Brevi manu (algemeen aanvaard) of longa manu (bevestigd door Lease Plan/IBM). Levering c. stuit af op art. 3:111, het interventieverbod!

Levering c.: (art 3:115 sub a) een leverancier van een zaak houdt de zaak nog even onder zich, waardoor niemand iets van de levering (c.) merkt. Daarom: - Een houder kan niet c. leveren (3:111) - Een ouder gerechtigde kan beschermd worden (3:90 lid 2) - Een reclamegerechtigde kan beschermd worden (7:42)  Levering c. blokkeert een beroep op 3:86 omdat 3:90 lid 2 in werking treedt.

Relatieve eigendom: eigendom omdat je ouder gerechtigde bent (zie 3:90 lid 2 bij c. levering).

Levering vordering op naam (3:94) - Cessie: de levering van een vordering op naam (3:94). - Cedent: degene die cedeert (levert). - Cessionaris: degene die verkrijgt. - Debitor cessus: degene die de vordering moet voldoen, de derde.

Art. 3:94 lid 4: documentatierecht voor de debitor cessus (waarschuwing richting de derde).

Openbare cessie: 3:94 lid 1. akte + mededeling. Deze cessie werkt met terugwerkende kracht, 3:94 lid 2. Stille cessie: 3:94 lid 3. authentieke of geregistreerde onderhandse akte. De mededeling kan achterwege blijven. Als cessionaris van een stille cessie kun je niet genieten van de derdenbescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid van de cedent (3:88).

  1. Beschikkingsbevoegdheid art. 3:84 BW Uitgangspunt: de rechthebbende is beschikkingsbevoegd. De eis van beschikkingsbevoegdheid leidt vaak aan uitzonderingen in die zin dat men beschermd kan worden tegen beschikkingsonbevoegdheid. Vraag: bestaat er grond voor een uitzondering op de beschikkingsbevoegdheidseis (derdenbescherming)?

2 categorieën uitzonderingsbepalingen:  Regels van derdenbescherming met ruimere actieradius dan bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid bij overdracht. Wanneer je te maken krijgt met beschikkingsonbevoegdheid, moet je niet alleen kijken naar 3:86 of 3:88, maar ook of er misschien andere bepalingen beschermen. Bijvoorbeeld: - 3: - 7:42 (reclamerecht) - 3:24 (beschermen tegen onjuistheden openbare registers) - 3:109 en 3:110 (gaan over bezit en houderschap).  Twee specifieke regels ter bescherming tegen de beschikkingsonbevoegdheid van de overdragende wederpartij: - 3:86 e.: het gaat om roerende niet-registergoederen, order- en toondervorderingen plus beperkte rechte op die zaken en vorderingen. Met deze zaken kun je primair terecht bij 3:86 en heel soms 3:88. Het gaat dan om de bijzondere casus dat je iets vervreemd hebt zonder dat je houderschap of bezit had (de bestolen eigenaar!). Je maakt in dat geval gebruik van 3:95.

Voor de levering bij voorbaat moet men alles doen wat men ook moet doen voor een levering van een bestaand goed. Naast toekomstige zaken, bestaan er toekomstige vorderingen. 2 soorten toekomstige vorderingen: - Enkel toekomstige vorderingen: de vordering zelf bestaat nog niet, maar de rechtsverhouding waar de vordering uit voortkomt wel. - Dubbel toekomstige vorderingen: een nog niet bestaande vordering uit een nog niet bestaande rechtsverhouding.  Onderscheid is van belang voor de stille cessie en het stille pandrecht, die kunnen alleen gevestigd worden bestaande en enkel toekomstige vorderingen.

*Een vordering uit een nog te sluiten koop- of huurovereenkomst: dubbel toekomstig. *Een vordering tot terugbetaling van een geldlening, zolang het geld nog niet is geleend: enkel toekomstig. *Een vordering tot terugbetaling van €20 die vandaag is geleend met de afspraak dat er in 20 maandelijkse termijnen van €1000 mag worden afgelost, telkens op de 1e van de maand vanaf 1 december: tegenwoordige/bestaande vordering.

Niemand kan rechthebbende zijn van een toekomstige vordering!

Overdracht via vertegenwoordiging

  • Onmiddellijke/directe vertegenwoordiging: iemand verkrijgt op naam van een ander.
  • Middellijke/indirecte vertegenwoordiging: iemand verkrijgt slecht voor rekening van een ander.

A verkoopt aan B in zijn hoedanigheid van commissionair van C (=iemand die op eigen naam en tegen betaling voor rekening van een ander overeenkomsten afsluit) een antieke klok. A bezorgt de klok vervolgens bij B, die voor de doorzending aan C failliet gaat. Wie is eigenaar: B of C? C heeft er belang bij dat hij eigenaar wordt, ook al wordt de zaak afgeleverd bij B (want anders concurrente crediteur). - Directe leer: art. 3:110 BW. Bestaat tussen 2 personen (B en C) een rechtsverhouding die de strekking heeft dat hetgeen de ene op bepaalde wijze zal verkrijgen (B), door hem voor de ander (C) zal worden gehouden, dan houdt de ene (B) het ter uitvoering van die rechtsverhouding voor de ander (C). De juridische levering geschiedt ogv de wet, art. 3:110, rechtstreeks van A aan C.

De toepassing van de directe leer bij verkrijging door de tussenpersoon is bij onmiddellijke (directe) vertegenwoordiging zonder meer duidelijk (B valt er sowieso tussenuit). Pas bij de middellijke (indirecte) vertegenwoordiging wordt 3:110 belangrijk.

De directe leer is alleen van toepassing als is voldaan aan de expliciete eisen van art. 3:110 BW plus de eis van de roerende zaak of toondervordering en de eis van individualisme.

Indien de zaken niet voldoende zijn geïndividualiseerd geldt de directe leer niet. In dergelijke gevallen hanteert men de doorleveringsleer: de tussenpersoon wordt eerst zelf eigenaar van de goederen, en moet daarna de goederen overdragen aan zijn opdrachtgever. De levering geschiedt dan c. door de goederen apart te zetten en te merken.

Fiduciaire overdracht (fiduciair = op vertrouwen berustend) Art. 3:84 lid 3 BW zegt dat fiduciaire overdracht geen geldige titel is. Er heeft zich echter jurisprudentie ontwikkeld, die dat fiducia-verbod uitholt  Sogelease en Lease BV/Van Summeren.

De betekenis van fiduciaire eigendomsoverdracht is fiducia ten aanzien van het meerdere, ofwel men geeft meer dan men eigenlijk zou moeten geven, in het vertrouwen dat die overdracht niet misbruikt wordt.

Naar gelang de functie 2 soorten fiduciaire overdracht: - Fiducia cum creditore: overdracht tot zekerheid. - Fiducia cum amico: een overdracht van goederen door een vervreemder, ter uitbreiding van bewindmogelijkheden voor de verkrijger (volgens de Amerikaanse trust).

Beiden soorten worden verboden in art. 3:84 lid 3 BW, maar er zijn alternatieven op gevonden:

  • (stil) pand
  • art. 7:423 BW (lastgeving)
  • trust in internationale verhoudingen
  • financiële zekerheidsovereenkomsten

HC 4: Eigendomsvoorbehoud en Originaire Eigendomsverkrijging

Eigendomsvoorbehoud: een beding in een tot overdracht van een roerende zaak strekkende titel, inhoudende dat de verkrijger reeds direct de (feitelijke) macht zal verschaffen, maar dat de eigendom bij de vervreemder blijft, totdat de verkrijger zijnerzijds een prestatie zal hebben voldaan.

Eigendomsvoorbehoud kan alleen worden geconstrueerd onder opschortende voorwaarde.

De actieradius van eigendomsvoorbehoud is: - Uit art. 3:92 lid 1 BW kunnen we afleiden dat het slechts om roerende zaken gaat. - Evb mag slechts ten aanzien van bepaalde vorderingen worden gemaakt. De somt limitatief in 3:92 lid 2 BW 3 categorieën op: o Beperkt horizontaal verlengd evb, voor andere vorderingen dan de contraprestatie van de in eigendom voorbehouden zaken (ein erweiterter Eigentumsvorbehalt). o Niet op nieuwe objecten, met de onder evb geleverde zaken (geen verticaal verlengd evb) o Niet op de tot bestanddelen verworden objecten van evb (geen verticaal evb).

Een eigendomsvoorbehoud op zaken die al betaald zijn is mogelijk als er sprake is van een nieuwe vordering van verkoop en levering van zaken (in lid 2 van 3:92 moet je dan lezen ‘ter zake van vorderingen betreffende de tegenprestatie voor door de vervreemder aan de verkrijger krachtens overeenkomst geleverde of te leveren andere zaken). Het hoeft daarbij niet te gaan om zaken die iets te maken hebben met de zaken waar men eerder het eigendomsvoorbehoud op heeft geclaimd. Eigendomsvoorbehoud wordt gemaakt onder opschortende voorwaarde van volledige betaling van de vordering. Uit het arrest Potharst/Serrée blijkt dat het onder omstandigheden toch mogelijk is om eigendomsvoorbehoud te claimen op al betaalde zaken (er is niets meer te vorderen, maar er wordt evb geclaimd op datgene wat te vorderen zal zijn  kredieteigendomsvoorbehoud. D. een evb (ook) voor toekomstige vorderingen).

Voordelen evb De verkoper die op krediet moet leveren wil zekerheid hebben in het geval dat de debiteur niet betaald. - Evb heeft vaak het voordeel dat de verkoper zijn goederenrechtelijke recht behoudt. - De verkoper wapent zich tegen een c. levering. Wanneer A onder evb levert aan B (die wordt eigenaar onder opschortende voorwaarde en daarom slechts houder), die het goed c. doorlevert, wordt dit tegengegaan door art. 3:111 (absoluut verbod). - Zelfs als B ‘normaal’ doorlevert wordt de verkoper hiertegen beschermt. B is immers beschikkingsonbevoegd. Soms wordt een derde hiertegen beschermd (3:86, 3:238 lid 1), maar in principe komt er geen overdracht aan een derde tot stand.

Nadelen evb Eigendomsvoorbehoud is ook vaak niet effectief: - Er kan dmv een vervreemdingsbevoegdheidsclausule geconstrueerd worden (Love-Love) dat de debiteur wel beschikkingsbevoegd wordt. Het punt van de derdenbescherming wordt hiermee getorpedeerd (3:86 is niet aan de orde): de derde verkrijgt op deze manier gewoon ogv art. 3:84. - Er is de mogelijkheid van beroep op art. 3:86 of 3:238 lid 1 BW (Hoogovens/Matex). Vaak wordt de derde wel beschermd. - Evb strandt vaak op natrekking. (bijv. je gaat met je auto naar de garage, waar er een nieuwe motor wordt ingezet. Er wordt op rekening betaald, met evb op de motor. Het evb gaat echter teniet: de motor wordt nagetrokken door de auto en wordt daarmee eigendom van de eigenaar van de auto) - Evb strandt vaak op zaaksvorming. Als evb rust op een zaak, waarvan een nieuwe zaak wordt gemaakt, gaat het evb teniet (Breda/Antonius en Kuikenbroederij). Bovendien verbiedt 3:92 lid 2 het verlengde evb. Er is dan dus geen zakelijk recht meer.

Originaire verkrijging Er bestaan vele vormen van originaire verkrijging van een goed:

Een appartementsrecht is geen beperkt recht, maar een recht van mede-eigendom op een bepaald goed en een exclusief gebruiksrecht voor een bepaald deel van dat goed. Het is een vorm van gemeenschap.

Beperkte rechten ontstaan met name door vestiging en door overdracht onder voorbehoud (3:81 BW). Wanneer er nog geen beperkt recht op een goed rust, kun je het vestigen (maar ook indien er wel al een beperkt recht op rust kun je te goeder trouw vestigen). Ook verjaring en substitutie zijn wijzen van ontstaan.

Beperkte rechten zijn overdraagbaar. Overdracht geschiedt ogv art. 3:98 jo 3:83 e. BW. Art. 3:98 BW is de belangrijkste schakelbepaling in het goederenrecht! Beperkte rechten kunnen onder meer tenietgaan op de in art. 3:81 lid 2 BW genoemde wijzen.

Zowel voor de vestiging als voor de overdracht van een beperkt recht moet je art. 3:98 BW gebruiken. Dit artikel is de link van het algemene goederenrecht naar de beperkte rechten.

Voor het vestigen van een beperkt recht op een goed moet er voldaan worden aan de vestigingseisen: 1. Het goed moet vatbaar zijn voor bezwaring (3:98 jo 3:83). 2. Er moet een rechtsgeldige titel zijn (3:98 jo 3:84). 3. Er moet rechtsgeldig gevestigd worden (3:98 jo 3:84). Dat valt uiteen in een goederenrechtelijke overeenkomst en een vestigingshandeling, notariële akte en inschrijven in de openbare registers. 4. De beschikkings/bezwaringsbevoegdheid van de vestigende persoon (3:98 jo 3:84) behoudens

derdenbescherming (3:98 jo 3:86 e.) behoudens derdenbescherming (art. 3:98 j°3:86 BW e.).

Beschikkingsbevoegdheid is vervreemdings- en bezwaringsbevoegdheid. De bevoegdheid tot vervreemding is voor het vestigen van een beperkt recht strikt genomen niet vereist.

Vruchtgebruik geeft het recht om goederen die aan een ander toebehoren te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten (art. 3:201). Vruchtgebruik wordt gevestigd door feitelijke overgave ogv 3:98 jo 3:90.

Er zijn 2 zekerheidsrechten: pand en hypotheek.

Accessoir recht = afhankelijk recht

Er zijn 2 onderscheidingen wat pand betreft: - Openbaar of stil pandrecht. - Verschil in pand afhankelijk van de aard van het goed: roerende zaken of vorderingen op naam.

Er zijn 4 soorten pand: - Vuistpand: openbaar pand op een roerende zaak. Vestigingshandelingen: art. 3:236 lid 1 BW. Het gaat erom dat de zaak uit de macht komt van de pandgever. - Bezitloos pand: stil pand op een roerende zaak. De zaak komt niet in de handen vd pandhouder. Vestigingshandelingen: gelijk aan die bij stille cessie  art. 3:237 BW. Er is een authentieke of geregistreerde onderhandse akte nodig. - Openbaar pand op vordering op naam: vestigingshandelingen: gelijk aan die bij openbare cessie  art. 3:236 lid 2 jo 3:94  een akte en mededeling daarvan aan de derde. - Stil pandrecht op vordering op naam: vestigingshandelingen: art. 3:239 lid 1-3. Er is een authentieke of geregistreerde onderhandse akte nodig.

Derdenbescherming: - Openbaar en stil pand op roerende zaken: art. 3:238 BW: bescherming van de beschikkingsonbevoegdheid van de pandgever, alleen indien de pandhouder te goede trouw is op het moment dat de zaak in zijn macht of die van een derde is gebracht. Alleen bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid bij openbaar pand!! - Openbaar en stil pand op vorderingen op naam: art. 3:239 lid 4 BW: bescherming van de beschikkingsonbevoegdheid van de pandgever, alleen indien de pandhouder te goede trouw is op het moment van de mededeling. Alleen bescherming bij openbaar pand!!

Verhaal: de goederen van de debiteur worden te gelde gemaakt, om uit die opbrengst de vordering te voldoen. Wanneer een debiteur zijn verplichtingen niet nakomt kan een crediteur kiezen voor verhaal op het vermogen van de debiteur.

Het verhaalsrecht op goederen is geregeld in titel 3, art. 3:276 e. 2 belangrijke kenmerken van verhaalsrecht: - Men kan zich alleen op het vermogen van de schuldenaar verhalen, maar dan wel op het gehele vermogen (3:276 BW, 20 Fw). - Paritas creditorum (gelijkheid van schuldeisers, 3:277 BW). De crediteuren worden naar evenredigheid van hun vordering betaald, behoudens wettelijke uitzonderingen. Deze uitzonderingen bestaan voor crediteuren met: o Pand of hypotheek (3:279 BW) o Speciaal privilege (afd. 3 BW), voorrechten op bepaalde goederen  de crediteur wordt preferente crediteur. o Generaal privilege (afd. 3 BW), voorrechten op het gehele vermogen  de crediteur wordt preferente crediteur. o Retentierechten (afd. 3 BW)

Daarnaast bestaan er crediteuren met eigendomsvoorbehoud: zijn spullen vallen buiten het faillissement/ de verhaalsmogelijkheden.

Genotsrechten hebben niets met verhaal te maken. Ze kunnen gehandhaafd worden tegenover iedereen, ook tegenover de faillissementscurator.

De belastingdienst kan op grond van art. 21 Invorderingswet bodembeslag leggen. Parate executie is ondanks de hoge voorrangspositie van een pand- of hypotheekhouder op dat moment niet mogelijk.

Kwaliteitsrekening: een rekening die je in een bepaalde kwaliteit hebt (bijv. in de hoedanigheid van notaris, advocaat of gerechtsdeurwaarder). De rechthebbenden-leer: degenen ten behoeve waarvan de rekening wordt gehouden zijn gezamenlijk rechthebbenden (Procall arrest).

De kwaliteitsrekening maak een inbreuk/uitzondering op de artikelen 3:276 en 3:277 BW. Omdat het vermogen wordt afgezonderd van de schuldenaar is het niet meer vatbaar voor verhaal. De crediteuren die gestort hebben op de kwaliteitsrekening krijgen bij faillissement het hele bedrag terug, terwijl de rest dat niet krijgt: er ontstaat een ongelijkheid van crediteuren.

Erfdienstbaarheid art. 5:70 BW Erfdienstbaarheid is een last waarmee een onroerende zaak (het dienende erf) ten behoeve van een andere onroerende zaak (het heersende erf) is bezwaard. Voorbeeld: links vh erf van A loopt de openbare weg en B bedingt dat hij over het erf van A naar de openbare weg mag. Als A zijn huis verkoopt, wil B graag dat de nieuwe eigenaar het recht van erfpacht moet respecteren.

Goederenrechtelijke rechten hebben werking tegenover iedereen, dus niet alleen ten opzichte van A, maar ook ten opzichte van diens rechtsopvolgers.

Erfdienstbaarheid is ten behoeve van een heersend erf en is een afhankelijk recht. Als B zijn huis overdraagt, gaat het recht van erfdienstbaarheid automatisch mee over (afhankelijk recht). De opvolgers van B hebben ook voordeel van het recht (m. het is een absoluut recht).

Het heersende erf en het dienende erf hoeven niet aan elkaar te grenzen.

Erfdienstbaarheid kan alleen betrekking hebben op een verplichting om te dulden of niet te doen (5:71 BW)

Was dit document nuttig?
Dit is een Premium document. Sommige documenten op Studeersnel zijn Premium. Upgrade naar Premium om toegang te krijgen.

Samenvatting Goederenrecht

Vak: Goederenrecht (22012038)

210 Documenten
Studenten deelden 210 documenten in dit vak

Universiteit: Universiteit Leiden

Was dit document nuttig?

Dit is een preview

Wil je onbeperkt toegang? Word Premium en krijg toegang tot alle 11 pagina's
  • Toegang tot alle documenten

  • Onbeperkt downloaden

  • Hogere cijfers halen

Uploaden

Deel jouw documenten voor gratis toegang

Ben je al Premium?
StudeerSnel.nl - Samenvattingen, Verslagen, Uitwerkingen en Boeken
1
Samenvatting Goederenrecht
HC 1: Structuur vermogensrecht, bezit en bezitsoverdracht.
Het goederenrecht heeft betrekking op de rechtsverhoudingen tussen rechtssubjecten en valt onder boek
3 en boek 5 BW.
Goederenrecht = zaken (3:2) en vermogensrechten (3:6) en eigendomsrechten (5:1)
Vermogensrechten: rechten die op geld waardeerbaar en overdraagbaar zijn (3:6). Er zijn ook
vermogensrechten die niet overdraagbaar zijn (bijv. 3:226).
Een goederenrechtelijk recht geeft heerschappij over een goed. Het gaat om een bundel bevoegdheden ten
aanzien van een bepaald goed.
Eigendom geldt alleen voor stoffelijke objecten, waardoor me geen eigenaar kan zijn van een
vorderingsrecht. Voor de niet-stoffelijke objecten is de term rechthebbende.
Een eigenaar is een rechthebbende van een stoffelijk object.
Het genotsrecht geeft recht op feitelijk gebruik van het goed. Bijv. erfdienstbaarheid of vruchtgebruik.
Met betrekking tot een goed zijn er 3 rechtsposities mogelijk:
Eigendom: (5:1 BW) er kan slechts 1 eigenaar tegelijk zijn (gezamenlijk of 1 persoon).
Bezit: (3:107 BW) er is slechts 1 bezitter tegelijk (middellijk of onmiddellijk). NB: een dief wil
voor zichzelf houden en geldt daarom als een onmiddellijk bezitter.
Houder: (3:108 BW) een houder houdt niet voor zichzelf maar voor een ander. Er kunnen
meerdere houders tegelijk zijn (middellijk of onmiddellijk).
Relatief recht: een rechtsbetrekking, er zijn ten minste 2 partijen nodig (persoonlijke rechten/
verbintenissen). Men kan deze rechtsbetrekkingen duiden naar zijn subject (crediteur/debiteur) of naar
zijn object (vordering/schuld).
Absoluut recht: geeft heerschappij over een goed en een bundel bevoegdheden die in de wet is
neergelegd (goederenrechtelijke rechten). Het karakteristieke van het absolute recht is juist dat
eigendomsrechten uitsluiten toekomen aan de rechthebbende het absolute recht heeft externe werking
en kan dus worden ingeroepen tegen derden.
Droit exclusive: het goederenrecht werkt tegenover een ieder.
Droit de priorité: oudere rechten gaan voor latere rechten.
Droit de suite: zaaksgevolg.
De heilige drie-eenheid bestaat uit een hoofdzaak, bestanddeel en natrekking.
Bestanddelen zijn geen zaken in de zin van 3:1 BW, maar onzelfstandige zaaksdelen en veronderstellen
een hoofdzaak waar zij deel van uitmaken. De eigenaar van een hoofdzaak is automatisch ook eigenaar van
de bestanddelen: natrekking art. 5:14 BW. Vraag: is de hoofdzaak zonder het bestanddeel incompleet? Zo
ja, dan is er sprake van een bestanddeel. Er zijn 3 soorten bestanddelen:
Bestanddelen in de zin van 3:4 lid 1 zijn volgens de verkeersopvatting onderdeel van een zaak en
daarmee een bestanddeel. Het gaat hier om objecten zonder welke de zaak incompleet zou zijn;
ideële bestanddelen. Er bestaat geen fysiek verband tussen de hoofdzaak en het bestanddeel. Als
het van elkaar gescheiden wordt ontstaat er geen schade aan een van beiden (bijv. fiets en bel).
Bestanddelen in de zin van 3:4 lid 2 hebben een fysieke verbinding met de hoofdzaak: materiële
bestanddelen. Het bestanddeel is zodanig verbonden met de hoofdzaak dat bij scheiding
aanzienlijke schade ontstaat (bijv. mozaïek).
Bestanddelen die vallen onder 5:20. Hieronder vallen bestanddelen die bestemd zijn om duurzaam
geplaatst te blijven (bijv. vakantiehuisje).
In 5:20 BW gaat het om de eigendomsvraag, in 3:3 BW om een onroerend goed vraag.
StudeerSnel.nl - Samenvattingen, Verslagen, Uitwerkingen en Boeken
2
Wanneer er sprake is van een bestanddeel o.g.v. 3:4 BW of 5:20 BW, dan verliest het bestanddeel zijn
zelfstandigheid en volgt het de hoofdzaak.
Bezit (vh goed) is de overgang tussen feit en recht, het bestaat deels uit een feit en deels uit een recht.
Normaal gesproken behoort het vermogensrecht toe aan de bezitter. Lopen eigendom en bezit uit elkaar
dan kan de bezitter alsnog door verjaring eigenaar worden indien aan de daarvoor gestelde eisen is
voldaan (3:99 en 3:105).
Indien een persoon de feitelijke macht over een zaak heeft dan wordt diegene vermoed eigenaar te zijn,
dit volgt uit art. 3:109 jo 3:119 BW.
Bezit: het houden van een goed voor zichzelf (3:107).
Houderschap: het houden van een goed voor een ander (3:107).
Een houder wordt ook wel detentor genoemd.
Een bezitter houdt met de pretentie om rechthebbende te zijn.
Een houder heeft deze pretentie niet.
Middellijk bezit/houderschap: de feitelijke macht wordt indirect uitgeoefend; de bezitten/houder maakt
gebruik van een ander om te bezitten/houden.
Onmiddellijk bezit/houderschap: de feitelijke macht wordt direct uitgeoefend.
In een aantal situaties bepaalt de wetgever of er sprake is van bezit of houderschap (3:110 en 3:111 BW)
Art. 3:110: verkrijging van uitsluitend het bezit van het goed.
Art. 3:97: gaat om de levering van het goed zelf.
Bezitsoverdracht: de vervreemder is zelf bezitter.
Bezitsverschaffing: de vervreemder is zelf geen bezitter (3:90 BW). De formaliteit van bezitsverschaffing
geldt alleen voor roerende zaken.
Art. 3:114 BW is de algemene regel om bezit over te dragen: de vervreemder moet aan de verkrijger de
macht verschaffen die hij zelf had.
- Feitelijke overgave: door fysieke overhandiging krijgt men het bezit van een zaak.
- Traditio symbolica: door het overdragen van een autosleutel verkrijgt iemand de feitelijke
macht over de auto.
Art. 3:115 BW is het bijzondere geval om bezit over te dragen: bezitsoverdracht d.m.v. een tweezijdige
verklaring zonder feitelijke levering.
a. Constitutum possessorium (levering c.p.): de bezitter wordt houder. De vervreemder draagt het
bezit (eigendom) over, maar blijft de feitelijke macht uitoefenen (onmiddelijke houder).
b. Brevi manu (levering met de korte hand): de houder wordt bezitter. De zaak bevindt zich al in de
feitelijke macht van de verkrijger, alleen is dit in de vorm van houderschap, wat omgezet wordt in
de vorm van bezit.
c. Longa manu (levering met de lange hand): een houder voor de een wordt houder voor de ander.
De vervreemder was bezitter en draagt het bezit over aan de verkrijger. De houder krijgt de
opdracht van de vervreemder om niet meer voor hem te houden, maar om voor de verkrijger te
houden.
Wanneer het bezit middellijk wordt uitgeoefend door de vervreemder heeft hij 2 mogelijkheden van
bezitsoverdracht: c.p. of longa manu.
Art. 3:111 BW gaat over bezitsverschaffing door een houder.
Vraag: kan een houder c.p. bezit verschaffen?
Een houder die houdt voor X blijft houder voor X (gaat onder dezelfde titel voort). Hieruit volgt dat:
De houder zichzelf niet tot bezitter kan maken.
De zichzelf niet van houder voor X tot houder voor Y kan maken.
Een bezitter kan bezit overdragen via c.p. (3:115 sub a), een houder kan dit niet o.g.v. 3:111 BW.

Waarom is deze pagina onscherp?

Dit is een Premium document. Word Premium om het volledige document te kunnen lezen.
StudeerSnel.nl - Samenvattingen, Verslagen, Uitwerkingen en Boeken
4
O.g.v. goederenrechtelijke werking en terugwerkende kracht is er een driedeling van titelgebreken:
GW en TK: nietigheid (bijv. 3:40) en in beginsel vernietiging (3:53 lid 1).
wel GW maar geen TK: vervulling van voorwaarde (3:38 lid 2, 3:84 lid 4 en 6:22) en inroeping van
reclamerecht (7:39).
noch GW noch TK: ontbinding wegens tekortkoming (6:265, 6:271) en soms vernietiging (3:53 lid
2). (ontbinding of wijziging op andere gronden dan tekortkoming, zie 6:258-260).
Ontbinding heeft als rechtsgevolg dat er een verbintenis tot ongedaanmaking ontstaat (6:271), maar het is
niet zo dat de ontbinding de eigendomssituatie herstelt (geen goederenrechtelijk effect en geen TK!!).
Een verkoper die niet betaald wordt, kan op een zeker moment een reclamerecht inroepen; hij kan de
zaak als zijn eigendom opvorderen (7:39). Wel moet er rekening gehouden worden met de korte termijn
(6 weken) die gesteld wordt in art. 7:44 BW. Het reclamerecht heeft goederenrechtelijke effect. door
inroepen van het reclamerecht wordt de verkoper weer eigenaar van de zaak.
Vernietiging heeft goederenrechtelijke werking en terugwerkende kracht (3:53). Zowel in het geval waarin
faillietverklaring van de koper nog moet plaatsvinden als wanneer de koper al failliet verklaard is, moet
de curator de zaak teruggeven.
Nietigheid heeft goederenrechtelijke werking (en terugwerkende kracht, eigenlijk geldt de nietigheid al
vanaf de aanvang). De verkoper is eigenaar van de zaak, ongeacht het moment van faillietverklaring.
Door een ontbindende voorwaarde van niet-betaling komt er een einde aan de overdracht wanneer
deze voorwaarde intreedt. Er is goederenrechtelijke werking, maar geen terugwerkende kracht (6:265). De
verkoper is eigenaar van de zaak, ongeacht het moment van faillietverklaring.
Door een opschortende voorwaarde van betaling komt de overdracht pas tot stand als er betaald is. Als
er niet betaald wordt blijft de verkoper eigenaar van de zaak, ongeacht het moment van faillietverklaring.
3. Geldige Levering art. 3:84 BW
De voorwaarde geldige levering bestaat uit 2 componenten:
a. Geldige goederenrechtelijke overeenkomst
b. Een leveringshandeling
a. Geldige goederenrechtelijke overeenkomst
Een goederenrechtelijke overeenkomst is een meerzijdige rechtshandeling van de vervreemder en de
verkrijger, waarmee goederenrechtelijk effect wordt beoogd. Een titelgebrek bij een goederenrechtelijke
ovk heeft geen grote praktische betekenis. Dit wordt anders als er een titelgebrek ontstaat tussen de titel
en de levering.
b. Leveringshandeling
De aard van een goed bepaalt hoe er geleverd moet worden:
Roerende niet-registerzaken: een boek kan geleverd worden door bezitsverschaffing (3:90 lid 1) of
door een akte sec (3:95). Levering d.m.v. een akte sec kan uitsluitend in het geval dat de
vervreemder geen houder of bezitter is, ofwel wanneer bezitsverschaffing niet mogelijk is (bijv.
diefstal uitkering door een verzekeraar).
Registergoederen: een huis kan geleverd worden door een notariële akte en inschrijving daarvan
in de openbare registers voor registergoederen (3:89 jo 3:16 e.v.).
Vorderingen: hangt af van de aard van de vordering. 3 soorten:
- Vordering op naam: onderhandse akte en mededeling aan de debiteur of authentieke
akte, dan wel geregistreerde akte zonder mededeling (3:94 lid 1, lid 3 ) (cessie).
- Vordering aan toonder: bezitsverschaffing, subsidiair levering als vordering op naam (bij
gebreke van bezit of houderschap) (3:93 1
e
zin).
- Vordering aan order: idem plus endossement (3:93 2
e
zin).
Onafhankelijke, beperkte rechten: deze rechten worden op dezelfde manier geleverd als het goed
waarop het beperkte recht rust (3:98). Art 3:98 is een schakelbepaling. Afhankelijke rechten zijn
afhankelijk van een ander recht (3:7), bijv. pand of hypotheek. Als een bank een vordering,
waarop een hypotheek rust, overdraagt aan een ander, gaat de hypotheek vanzelf mee over.
Overige goederen: als er niets geregeld is kan er worden geleverd door akte.
StudeerSnel.nl - Samenvattingen, Verslagen, Uitwerkingen en Boeken
5
Let op! In principe is een vordering op naam, tenzij een vordering voorzien is van een toonder- of
orderclausule. De orderclausule houdt in dat er betaald moet worden aan de crediteur of order. De
toonderclausule stelt dat er betaald moet worden aan degene die het papier toont.
Roerende niet-registerzaken kunnen dus geleverd worden door bezitsverschaffing.
Er kan bezit verschaft worden door een bezitter door bezitsverschaffing (3:112). Dat wil zeggen:
- Bezitsverschaffing door feitelijke overgave (3:114) (is ook traditio symbolica).
- Bezitsverschaffing door een bijzondere traditio (3:115). 3 manieren:
a. Costitutum Possessorium (c.p.)
b. Brevi manu
c. Longa manu
Een houder kan bezit verschaffen door:
- Feitelijke overgave (Hoogovens Matex)
- Brevi manu (algemeen aanvaard) of longa manu (bevestigd door Lease Plan/IBM).
Levering c.p. stuit af op art. 3:111, het interventieverbod!
Levering c.p.: (art 3:115 sub a) een leverancier van een zaak houdt de zaak nog even onder zich,
waardoor niemand iets van de levering (c.p.) merkt. Daarom:
Een houder kan niet c.p. leveren (3:111)
Een ouder gerechtigde kan beschermd worden (3:90 lid 2)
Een reclamegerechtigde kan beschermd worden (7:42)
Levering c.p. blokkeert een beroep op 3:86 omdat 3:90 lid 2 in werking treedt.
Relatieve eigendom: eigendom omdat je ouder gerechtigde bent (zie 3:90 lid 2 bij c.p. levering).
Levering vordering op naam (3:94)
Cessie: de levering van een vordering op naam (3:94).
Cedent: degene die cedeert (levert).
Cessionaris: degene die verkrijgt.
Debitor cessus: degene die de vordering moet voldoen, de derde.
Art. 3:94 lid 4: documentatierecht voor de debitor cessus (waarschuwing richting de derde).
Openbare cessie: 3:94 lid 1. akte + mededeling. Deze cessie werkt met terugwerkende kracht, 3:94 lid 2.
Stille cessie: 3:94 lid 3. authentieke of geregistreerde onderhandse akte. De mededeling kan achterwege
blijven. Als cessionaris van een stille cessie kun je niet genieten van de derdenbescherming tegen
beschikkingsonbevoegdheid van de cedent (3:88).
4. Beschikkingsbevoegdheid art. 3:84 BW
Uitgangspunt: de rechthebbende is beschikkingsbevoegd. De eis van beschikkingsbevoegdheid leidt vaak
aan uitzonderingen in die zin dat men beschermd kan worden tegen beschikkingsonbevoegdheid. Vraag:
bestaat er grond voor een uitzondering op de beschikkingsbevoegdheidseis (derdenbescherming)?
2 categorieën uitzonderingsbepalingen:
Regels van derdenbescherming met ruimere actieradius dan bescherming tegen
beschikkingsonbevoegdheid bij overdracht. Wanneer je te maken krijgt met
beschikkingsonbevoegdheid, moet je niet alleen kijken naar 3:86 of 3:88, maar ook of er
misschien andere bepalingen beschermen. Bijvoorbeeld:
- 3:36
- 7:42 (reclamerecht)
- 3:24 (beschermen tegen onjuistheden openbare registers)
- 3:109 en 3:110 (gaan over bezit en houderschap).
Twee specifieke regels ter bescherming tegen de beschikkingsonbevoegdheid van de
overdragende wederpartij:
- 3:86 e.v.: het gaat om roerende niet-registergoederen, order- en toondervorderingen plus
beperkte rechte op die zaken en vorderingen. Met deze zaken kun je primair terecht bij
3:86 en heel soms 3:88. Het gaat dan om de bijzondere casus dat je iets vervreemd hebt
zonder dat je houderschap of bezit had (de bestolen eigenaar!). Je maakt in dat geval
gebruik van 3:95.

Waarom is deze pagina onscherp?

Dit is een Premium document. Word Premium om het volledige document te kunnen lezen.

Waarom is deze pagina onscherp?

Dit is een Premium document. Word Premium om het volledige document te kunnen lezen.